click herehttp://dancedesk.pl/fsa/cialis-pills-fast-delivery/
Stagflatie-Inflatie-Deflatie

Stagflatie-Inflatie-Deflatie

Stagflatie

In de studieboeken van vandaag de dag wordt de term ‘stagflatie’ nog steeds verklaard. Stagflatie is een economische term die stamt uit de jaren 1970 en in Nederland haar oorsprong vindt. Echter stagflatie is een economische situatie die in het geheel niet kan bestaan, hooguit voor één dag. De definitie volgens het woordenboek is: een situatie waarbij tegelijkertijd sprake is van economische stagnatie en inflatie.

Hank Monrobey: “Op 2 april 1981 ontdekte ik reeds dat er iets diepgaand mis was met de economie. Op mijn toenmalige kantoor in Londen ontving ik een schrijven van een topman van een multinational in Utrecht, die mij raporteerde omtrent een vergadering die op 11 maart 1981 in Den haag werd belegd om een antwoord te vinden op de vraag: “Wat is stagflatie?” Een stagnerende economie vergezeld van een hollende inflatie. Die vergadering werd georganiseerd door dr. Jos van Kemenade, de toenmalige minister van onderwijs. Er waren 65 gegradueerden en 3 leden van de vakbond, die niet in staat waren om te verklaren waardoor de toenmalige stagflatie ontstond.

Ik werd geïnformeerd over het feit dat de Nobelprijswinnaar economie 1978 dr. Herbert A. Simon van de Carnegie Mellon Univeristy in Pittsburgh Pennsylvania, tijdens de openingstoespraak van de stagflatievergadering, tot drie maal toe had opgemerkt, dat zijn economische kennis tekort schoot om het fenomeen stagflatie te kunnen verklaren. Een telefoongesprek met dr. Simon op 2 april 1981  bevestigde dat hij het met me eens was dat stagflatie gewoon niet kan bestaan, maar dat het weinig zinvol was om met 68 mannen in debat te gaan die heilig in stagflatie geloven. Mij werd verboden om zijn uitspraak openbaar te maken. Op 9 februari 2001 is dr. Herbert A. Simon overleden. Kortom: het is onmogelijk om een hollende inflatie te beleven terwijl de economie stagneert, dan tenzij die prijsverhogingen door de overheid worden veroorzaakt.”

Nu u weet dat stagflatie niet kan bestaan is het belangrijk dat u hieronder leest wat de definitie van inflatie is en vervolgens waarom in Nederland al meer dan 40 jaar sprake is van deflatie en geen inflatie, zoals banken, economen en de media ons maandelijks doen geloven.

Inflatie

Veelal wordt inflatie gedefinieerd als “het duurder worden van producten en diensten” of “minder product of dienst kunnen kopen voor dezelfde munteenheid”, maar dit is slechts een gevolg welke meerdere oorzaken kan hebben. Inflatie kán een oorzaak zijn van prijsstijgingen, maar dat is in Nederland al meer dan 40 jaar niet het geval.

Inflatie betekent het groter worden van de hoeveelheid geld in circulatie. Als gevolg daarvan ontstaat er een toenemende vraag naar producten en diensten, waardoor de prijzen stijgen. Hank Monrobey legt hier uit waarom er in Nederland steeds minder geld in omloop is, waardoor er geen sprake kan zijn van inflatie.

Hank Monrobey: “Vandaag geloven we nog steeds dat Nederland wordt geplaagd door inflatie, terwijl Nederland elke dag verder van al het geld dat in circulatie was, wordt ontdaan. Er zijn een paar miljoen burgers en bedrijven, die niet meer economisch kunnen functioneren, omdat niet alleen het echte geld uit circulatie is verdwenen, maar ook het boekhoudkundige kapitaal (dat door de banken nog steeds geld genoemd wordt) door de grote multinationals, overheden en banken systematisch wordt verwijderd.

Op 5 april 1981 vloog ik naar Nederland en begon met het bezoeken van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Dat bezoek leidde er toe om in het prentenkabinet de kranten te gaan lezen en binnen slechts enkele dagen tot de ontdekking te komen hoe wij reeds sinds 1900, systematisch met een tekort aan geld werden geconfronteerd, omdat we er puur kunstmatig voor zorgden, dat we tussen 1900 en 1971 maar liefst 14 maal meer geld nodig hadden dan in 1900, een toename die er nimmer kwam. Het is namelijk niet mogelijk om aan de burgers te gaan vertellen, dat ze aanvankelijk 6 maal zoveel geld moesten gaan lenen om een economische crisis, dus een recessie, die onherroepelijk zou gaan ontstaan te voorkomen.

Rond 1900 begon men de loonbetalingen aan te passen, waarbij van dagloon naar weekloon werd omgeschakeld. Er werd in het geheel niet opgemerkt dat er dientengevolge meer geld in omloop diende te worden gebracht. Het werd noodzakelijk om zes maal meer geld in omloop te brengen, aangezien dit niet gebeurde, leidde dit binnen de bestaande leenstructuur tot een aanzienlijke verhoging van kosten en een gebrek aan geld. Dit leidde tot de enorme, puur Nederlandse crisisontwikkelingen na 1926 en kwam in feitelijke zin pas na de bevrijding van de Duitse bezetting tot een oplossing, toen men genoodzaakt werd om de geldcirculatie te saneren. De enorme crisisontwikkeling na 1926 werd in het geheel niet met het omschakelen van dagloon naar weekloon in verband gebracht. De gemiddelde burger was niet in staat om probleemloos zo maar even zes maal zoveel geld te gaan lenen. En omdat niemand zich bewust was van het feit dat het om een tekort aan geld ging, werd die crisis van toen nimmer opgeheven.

Dientengevolge was er geen ontkomen aan. Aangezien niemand zich bezig hield met de vraag hoeveel geld er in de toekomst moet zijn om te voorkomen dat dezelfde crisis zich na 1926 zou gaan herhalen. Niemand had van tevoren kunnen vaststellen, dat er opnieuw een tekort aan geld zou gaan ontstaan in een economisch klimaat dat, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Verenigde Staten, principieel op krapgeld is gebaseerd. De werkloosheid nam daardoor na 1926 in aanzienlijke mate toe. Voor de loonbetaling diende er minimaal 6 maal meer geld in omloop te worden gebracht, die er niet waren en ook niet kwamen.

Na het op de markt brengen van de mainframe computers, omstreeks 1960, herhaalde zich letterlijk de geschiedenis. er was niemand die aan de noodzakelijkheid om meer geld in omloop te brengen aandacht besteedde. Een paar politici kwamen eenvoudigweg tot de conclusie dat de computer het nu mogelijk maakte om meer belasting te gaan innen, waarmede dan het probleem van toch stilletjes voortdurende tekort aan geld volledig zou worden opgelost. Zo kwam er een belasting op de toegevoegde waarde, die men op z’n gemak kon opsparen en in de vierde maand aan de belastingdienst kon afdragen.

Totaal onopgemerkt herhaalde zich na 1960 precies dezelfde ontwikkeling, maar nu zelfs met een dramatisch groter effect. De computer liet een concurrentiestrijd ontstaan tussen de wereld van de zorg en een computerservicebureau in Rotterdam. De zorgverlener, die veel processingcapaciteit nodig had, werd aanvankelijk de grootste dienstverlener op het digitale vlak. Totdat eind 1959 in Rotterdam een conupterservicebureau werd opgericht die ontdekte hoe je de markt moest veroveren. Dat bureau ontwikkelde rond 1965 een machine die gekoppeld werd aan de computer en in staat was om perfecte wekelijkse loonzakjes te drukken. Dat was een schot in de roos en werd een grote zorg voor de zorgondernemer. Maar ook de zorgondernemer ontwikkelde een schot in de roos. In januari 1968, dus in hetzelfde jaar van het opstarten van de mainframe computer die de BTW ging berekenen, begon de zorgondernemer met het omschakelen van weekloon naar maandloon, waardoor de kosten van het verwerken van de lonen met 75% werd verlaagd. In 1972 schakelde o.a. Philips om naar het uitbetalen van maandloon en heel Nederland volgde. Maar er was weer niemand die begreep, dat het tussen 1968 en 1985 omschakelen van geheel Nederland naar uitbetaling van maandloon, maar liefst acht maal meer geld in circulatie noodzakelijk maakte.

In 1971 publiceerde de Winkler Prins Encyclopedie reeds dat Nederland weer werd geplaagd door een sterk stagnerende economie, die vergezeld ging van een hollende inflatie. Niemand begreep dat:

  1. het invorderen van BTW, welke gedurende vier maanden werd vastgehouden door de ondernemers, ruim twee maal zoveel geld in omloop noodzakelijk maakte
  2. het omschakelen van weekloon naar maandloon ruim vier maal zoveel geld in circulatie noodzakelijk maakte

Dus begin 1981 diende er reeds zes maal meer geld in circulatie te zijn en rond 1985 meer dan acht maal, en zo renden we naar een tekort aan geld in circulatie dat inmiddels is ontstaan.”

Deflatie

Veelal wordt deflatie gedefinieerd als “het goedkoper worden van producten en diensten” of “meer product of dienst kunnen kopen voor dezelfde munteenheid”, maar dit is slechts een gevolg.

Deflatie betekent feitelijk het kleiner worden van de hoeveelheid geld in circulatie. Als gevolg daarvan ontstaat er een minder vraag naar producten en diensten, waardoor de prijzen dalen.

U heeft onder het kopje inflatie kunnen lezen dat er in Nederland sprake is van een toenemend tekort aan geld in circulatie. U zult dit ook herkennen aan de huidige economische situatie.

Waarom lezen wij dan toch elke maand in de krant dat er weer sprake is van X% inflatie?

Dit komt omdat de definitie van inflatie verkeerd gehanteerd wordt. Al meer dan 40 jaar is er sprake van deflatie, maar de prijsdalingen worden overgecompenseerd tot een prijsstijging als gevolg van overheidsmaatregelen en toenemende financieringslasten.